Japan: Gentlemen Take Polaroids (1980)

gentlemen take polaroids                                                                                         Japan:
                                                                             David Sylvian
                                                                                  Mick Karn
                                                                        Richard Barbieri
 1. Gentlemen Take Polaroids                                   Rob Dean
 2. Swing                                                                Steve Jansen
 3. Burning Bridges
 4. My New Career
 5. Methods Of Dance
 6. Ain't That Peculiar
 7. Nightporter
 8. Taking Islands In Africa  
 

Japan was een invloedrijke groep die van 1976 tot 1982 heeft bestaan en na een aanvankelijk commerciële koers zijn eigen weg besluit te gaan door Oosterse en Westerse muziek samen te smelten.

David Sylvian en Mick Karn leren elkaar aan het begin van de jaren zeventig kennen op de middelbare school in het Londense stadsdeel Lewisham. Met David's broer Steve vormen ze buiten de schooluren een muziekgroepje. Sylvian is een recalcitrante puber die -beïnvloed door de glamrock van dat moment- make-up draagt en daarvoor uiteindelijk van school wordt gestuurd. Het groepje blijft echter bestaan en in juni 1974 treden ze voor het eerst op op een school. Het wordt een afgang en omdat ze toch grootse plannen hebben, gaan ze vanaf dat moment serieus met de band bezig. Ze plaatsen een advertentie voor een slaggitarist en nemen Rob Dean aan. Richard Barbieri, een oude schoolvriend, wordt als toetsenist binnengehaald.

De groep treedt in februari 1976 voor het eerst op in deze samenstelling als voorprogramma van de legendarische Fabulous Poodles. Het zijn de nadagen van de glamrock waarin David Bowie en Roxy Music's Bryan Ferry een verfijnde stijl introduceren, de disco hoogtij viert met "Saturday Night Fever" en punk eraan zit te komen. De groep borduurt haar imago voort op glamrock en de New York Dolls in het bijzonder. Het is dan ook geen toeval dat David Sylvian (echte naam: David Batt) zich vernoemt naar het New York Dolls-lid Sylvain Sylvain. Als de groep een concert bezoekt van Roxy Music raken ze onder de indruk van het voorprogramma, de Japanse groep Sadistic Mika Band. De groep is een afsplitsing van het het Japanse Yellow Magic Orchestra, waarvan ook Ryuiuchi Sakamoto deel uitmaakt. Het zijn de prille ideeën die later volop in het werk van de groep gaat verwerkt gaan worden.

In 1976 hebben ze als groep het niveau bereikt dat ze kunnen gaan touren, en vinden in Simon Napier-Bell een cruciale manager. Hij heeft jarenlange ervaring als manager van ondermeer Marc Bolan en The Yardbirds en hij bezorgt ze boekingen als voorprogramma. Omdat de groep niet goed past in het plaatje dat de platenmaatschappijen willen uitbrengen, valt het echter niet mee om de groep bij een maatschappij onder te brengen. Dat verandert wanneer ze reageren op een advertentie van de platenmaatschappij Ariola-Hansa. Het Duitse bedrijf is aan het expanderen naar de Engelse markt en zoekt jong Engels talent. In het muziekblad Melody Maker worden onbekende bands opgeroepen hun demo op te sturen, en hoewel The Cure de wedstrijd wint krijgt ook Japan dan een contract aangeboden.

Omdat The Cure weigert om cover-versies te spelen laat Hansa de groep al snel vallen. De leden van Japan zijn met een gemiddelde leeftijd van 17 jaar echter beter te manipuleren en de platenmaatschappij perst er dan ook een aantal kruisingen van rock en disco uit. Als er twintig nummers klaar zijn, wordt de eerste LP opgenomen. Het is geen verrassing dat "Adolescent Sex" een allegaartje is, hoewel het catchy titelnummer een hit wordt in Nederland. In Engeland doet de plaat niets. Terwijl manager Napier-Bell zijn PR-machine op volle werking zet, ondermeer door een Japanse sumo-worstelaar de plaat te laten bezorgen op de kantoren van de muziekbladen, wordt de groep door de pers veracht. Punk is op zijn hoogtepunt, en het laatste waar de bladen op zitten te wachten is wel een groep die lijkt op een glamrock-band van vijf jaar geleden en een ondefinieerbare mix van rock, disco en funk maakt.

Als ze de keuze krijgen om te toeren met de dan nog onbekende Talking Heads of met de Amerikaanse rockband Blue Oyster Cult, kiezen ze voor de laatste. Ze worden onthaald op een vijandig publiek: Mick Karn wordt op een gegeven moment zelfs geraakt door een baksteen! Onmiddelijk na deze toer nemen ze hun tweede LP, "Obscure Alternatives" op. Het is de weerslag van een groep die hard op zoek is naar een eigen geluid, maar dat nog niet heeft gevonden. Ze nemen contact op met producer Giorgio Moroder, die de single "Life In Tokyo" met hen opneemt. De Eurodisco-sound van deze plaat geeft wel aan dat de groep nu werkelijk alle kanten opkan met haar geluid. Het is in deze periode dat de groep in aanraking komt met producer John Punter, die eerder heeft gewerkt met Roxy Music. Zijn subtiele produktie geeft de groep alle ruimte om de nummers volledig tot hun recht te laten komen. Het klikt tussen Japan en Punter, die al zijn andere projecten op een zijspoor zet en zich dan nog louter bezighoudt met Japan.

Inmidels begint ook het muzikale getij te keren in England: de punk-hausse slaat om naar New Wave, dat culmineert in "New Romantic" waarin groepen experimenteren met synthesizers en meer aandacht aan hun imago beginnen te besteden. Japan blijkt hierin een trendsetter te zijn; als in december 1979 de derde LP "Quiet Life" wordt uitgebracht beginnen plotseling hun concerten uit te verkopen. De groep blijkt zijn stijl te hebben gevonden in subtiele composities met tegendraadse ritmes en een melodramatische sfeer. "Quiet Life" komt aarzelend binnen in de Engelse hitlijsten en dit vindt zijn weerslag in de muziekbladen. De serieuze bladen hebben tijd nodig om door de uiterlijke kenmerken heen te zien, maar de tienerblaadjes zetten de stijlvolle groep maar al te graag op de voorpagina.

Platenmaatschappij Hansa lijkt hier blind voor te zijn en besluit de groep niet langer te financieren; het contract wordt beëindigd. Virgin neemt de groep maar al te graag over, maar als blijkt hoe de investeringen in de groep zich terug lijken te betalen in de toegenomen populariteit, spant Hansa een proces aan om de groep terug te krijgen. Het is tevergeefs, en Virgin geeft de groep alle ruimte om de vierde LP op te nemen. Het is een cruciale periode; de groep heeft zijn eerste succes binnen en de nieuwe platenmaatschappij verwacht dat de investering wordt terugverdiend. David Sylvian begint zijn draai te vinden als componist, maar moet rekening houden met de andere uitgesproken persoonlijkheden in de groep.

"Gentlemen Take Polaroids" komt uit in november 1980 en is een triomf. Het is een staalkaart van een groep die zijn identiteit heeft gevonden en op het punt staat zich verder te ontwikkelen. De disco-invloeden van vroeger worden gemengd met de Oriëntaalse klanken die pas op de laatste LP ten volle zullen worden uitgewerkt. "Gentlemen Take Polaroids" is een overzicht van de hele ontwikkeling van de groep, verpakt in breekbare melodieën en subtiele arrangementen.

gentlemen take polaroids (7'' single)De plaat opent met de titelsong, waarop de disco-invloeden van "Quiet Life" en "Life In Tokyo" duidelijk hoorbaar zijn en de eerste Oosterse invloeden zich aandienen. Het lied gaat over snelle liefdes, de polaroids die snel gemaakt worden, ontwikkeld en in een oude doos belanden, geboren uit een angst om zich kwetsbaar op te stellen. Mannen laten zich niet kennen. De berekende ritmes voorzien het nummer van een swingende melancholie. Het nummer duurt zeven minuten, en in die tijd krijgt het arrangement alle ruimte om zich te kunnen openbaren. Klassieke blaasinstumenten worden niet geschuwd, en ondanks de ongebruikelijke instrumentatie ligt het nummer goed in het gehoor en wordt dan ook uitgebracht als single. Het behaalt  in october 1980 in Engeland de 60e plaats.

Vervolgens het ontspannend klinkende"Swing", dat bij nadere beluistering erg complex in elkaar zit. Het is een stap dichterbij de Oosterse melodieën die op "Tin Drum" verder zullen worden uitgewerkt. Hier is goed te horen hoe de fretloze bas van Mick Karn een grotere rol gaat spelen in de muziek van de groep. "Burning Bridges" is een bijna instrumentaal, ambient aandoend werk dat in het verlengde ligt van de gestileerde schoonheid van David Bowie's LP "Low". Het wordt gevolgd door het persoonlijke lied "My New Career". Het is verbazingwekkend hoe de inmiddels achterhaald klinkende synthesizergeluiden het nummer naar een hoger plan tillen.

Dan volgt het sleutelnummer van de plaat, en eigenlijk ook van de groep. In "Methods Of Dance" worden alle kwaliteiten van de band in één nummer ondergebracht. Het subtiel swingende discoritme, ondersteund door een tegendraadse percussie; David Sylvian die tegen de melodie inzingt in een melancholische toonzetting, en de tijd die het arrangement krijgt om het brede muzikale spectrum van de groep helemaal tot zijn recht te laten komen.

Zoals de groep al eerder in zijn carrière hommages heeft gebracht aan bewonderde artiesten door covers op te nemen (zo werden "All Tomorrow's Parties" van de Velvet Underground en "I Second That Emotion" van Smokey Robinson reeds eerder uitgevoerd), wordt ook hier opnieuw Smokey Robinson geëerd met een nieuwe uitvoering van "Ain't That Peculiar", het Motown-nummer dat in de versie van Marvin Gaye een hit werd. Japan maakt er een volledig eigen versie van met opnieuw een Oosters aandoend ritme en een tegendraadse zanglijn. Later zou ook de uit de "New Romantics"-stroming voortgevloeide groep ABC een hommage brengen aan Smokey Robinson met "When Smokey Sings".

nightporter (7'' single)Een nieuw hoogtepunt volgt met de klassieke piano-ballad "Nightporter". Het is gebaseerd op Erik Satie's "Gymnopedies", en gaat over de verwarring die de liefde met zich mee kan brengen. Het is het meest melancholieke nummer van de groep. Ook hier wordt de tijd genomen, in zeven minuten wordt hier met klassieke instrumentatie Japan's meest toegankelijke werk neergezet. Het zal de groep de langverwachte erkenning van muziekcritici opleveren. "Nightporter" wordt pas bijna twee jaar later op single uitgebracht, en behaalt dan de 29e plaats in de Engelse lijsten.

De plaat besluit met "Taking Islands In Africa", een voorbode van wat zou gaan komen. Het is de eerste samenwerking tussen David Sylvian en Ryiuichi Sakamoto, die elkaar eerder in 1980 hebben ontmoet als Sakamoto voor een Japans popblad Sylvian interviewt. Sakamoto is in dezelfde studio's zijn nieuwe plaat aan het opnemen en deze gezamenlijke compositie wordt op het laatste moment toegevoegd aan de plaat. De titel zit overigens ook verwerkt in "Swing".

Na deze zee van indrukken komt deze uitgebalanceerde plaat tot een eind. Op de Amerikaanse persing van de CD zijn overigens nog twee bonusnummers te vinden: "The Experience of Swimming" en "Width of a Room". De nummers werden geschreven door Richard Barbieri en Rob Dean, en belandden in eerste instantie op de b-kant van de "Gentlemen Take Polaroids"-maxisingle. De LP bereikt in Engeland de 45e plaats, maar zal door de jaren heen een bestseller blijken. In Japan wordt de plaat een groot succes, niet in de laatste plaats omdat Ryiuichi Sakamoto erop meespeelt. Sylvian en Sakamoto zullen nog vaker samenwerken, ondermeer op "Bamboo Houses" en "Forbidden Colours" van de soundtrack "Merry Christmas Mr. Lawrence".

In interviews laat Sylvian weten dat de plaat onder grote spanningen tot stand is gekomen. Hij blijkt zijn ideeën vaak te hebben geforceerd op de andere leden van de groep. De spanningen worden voor de buitenwereld zichtbaar als Rob Dean besluit de groep te verlaten. Met de gedachte dat de volgende plaat de laatste wordt gaat de groep dan nog éénmaal de studio in, en trekt zich niets meer aan van enige commerciële druk. "Tin Drum", de zwanezang van de groep, komt uit in november 1981. Op de plaat wordt de invloed van eeuwenoude Oosterse folkmuziek volledig benut, en het wordt tot verbazing van de groep de meest succesvolle plaat. Met de single "Ghosts", een melancholieke ballad in het verlengde van het verstilde "Nightporter", wordt zelfs een top-5 hit gescoord.
vlnr Rob Dean, Mick Karn, Steve Jansen, Richard Barbieri, David Sylvian
"Tin Drum", bedoeld als afscheidsalbum, blijkt voor een groot publiek het kennismakingsalbum te zijn. Platenmaatschappij Hansa ziet haar kans schoon om de investeringen in de groep terug te winnen en brengt stelselmatig oude nummers als nieuwe singles uit. Om van deze verwarrende situatie toch maar het beste te maken, houdt de groep contact met haar oude platenmaatschappij door de hoezen te ontwerpen en zelfs enkele stukken opnieuw in te spelen. "I Second That Emotion" wordt na drie jaar zelfs een top-10 hit.

Maar de druk is te groot; Japan houdt op te bestaan in december 1982. De posthume live-LP "Oil On Canvas" bewijst dan hoe populair de groep is geworden door in de Engelse top-5 te belanden. Uit de stroming "New Romantics" ontspruiten de grote successen van Duran Duran en Spandau Ballet. Beide groepen noemen Japan als grote invloed.

De leden van de groep gaan elk huns weegs, al zullen hun wegen nog menigmaal kruisen. David Sylvian brengt in 1984 zijn succesvolle solo-debuut "Brilliant Trees" uit, en blijkt door de jaren heen de meest succesvolle artiest van de groep te zijn. Begin 1999 komt zijn laatste plaat "Dead Bees on a Cake" uit. Ook Mick Karn brengt een aantal solo-platen uit, speelt mee op "The Sensual World" van Kate Bush en is inmiddels een samenwerkingsverband gestart met Jansen en Barbieri. Van Rob Dean wordt weinig meer vernomen.

In 1989 komen de leden van Japan nog éénmaal bij elkaar, met uitzondering van Rob Dean. De oorspronkelijke bedoeling is een lange-termijn project onder de naam Rain Tree Crow, dat op den duur Japan zou moeten gaan overschaduwen. Als het miljoenenvoorschot van Virgin na verloop van tijd echter opraakt eist de platenmaatschappij dat het project onder de naam Japan wordt uitgebracht. Dit zeer tegen de zin van David Sylvian, die besluit het geld dan zelf maar op tafel te leggen, de andere leden te bedanken voor hun diensten en zelf de uiteindelijke mix te maken. Een tweede album van de groep is nooit verschenen.

De beste Japan-links vind je hier:

Japan Assemblage ziet er wat rommelig uit, maar bevat de meest complete informatie over de groep. De maker, Paul Rymer, heeft contacten met de groepsleden zodat je zeker kunt zijn van de juiste informatie. Je vindt hier ondermeer een complete discografie, real audio fragmenten en desktop themes.

Visions of Japan is dé site voor verzamelaars - werkelijk alles wat door de groep is uitgebracht vindt je hier. De zon gaat echter voor niets op, en deze site is dan ook helemaal in het Spaans. Mocht je dat niet spreken dan kun je je laten bijstaan  door Alta Vista, dat alles in een paar seconden voor je vertaalt.
 

the art of homepagesStill life in mobile HOME